Journalistiek en politiek

Rede voor de Derde Kamer 2008

Zeven lessen over journalistiek en politiek

Dames en heren,

Allereerst hartelijk dank voor de uitnodiging van het NCDO om hier te mogen spreken. Vind het een hele eer om voor één keer zelf aan het woord te mogen zijn in Nieuwspoort, een plek waar ik al heel vaak ben geweest en waar ik voornamelijk een luisterend oor had. Nu ben ik dus in de gelegenheid om zelf mijn opinie te geven. Ik hoop hier vandaag geen nieuws te maken, wel met u tot een beter inzicht van de verhouding tussen politiek en media te komen. En dan met name op het onderwerp buitenlands beleid.

Vandaag is het verantwoordelijke ministerie aan de beurt in de Kamer, ietsjes verderop, om de begroting te bespreken. U zult daar zien dat er een handvol bewindspersonen, een handvol Kamerleden en een handvol journalisten in de zaal zit. Zo was het althans in de jaren dat ik op het Binnenhof rondliep. Na mijn studie geschiedenis en journalistiek heb ik 2,5 jaar voor de oud-minister van Buitenlandse Zaken, Jozias van Aartsen gewerkt. Daarna was ik een paar jaar bij BZ als ambtenaar aan de slag en sinds 2007 ben ik journalist.

Ik ben dus op drie manieren met de begrotingsbehandeling in contact geweest. Eerst als medewerker van Van Aartsen, daarna als klein radertje in een miljardenbedrijf dat hier verantwoording kwam afleggen. En vorig jaar heb ik als politiek redacteur het buitenlands beleid nauwlettend gevolgd, soms tot grote irritatie van minister Verhagen en premier Balkenende.

In dit lunchgesprek wil ik kort stilstaan bij een aantal thema’s waar u mee te maken krijgt, in uw eerzame werk als Kamerlid. Ik doe u wat geheimen uit de doeken over hoe de politiek in het echt functioneert – of niet, en hoe media daarover objectief verslag doen – of niet. Dat doe ik van verschillende invalshoeken. De welbekende symbiose tussen politici en journalisten, het innige huwelijk, bestaat ten dele. Op zijn best is er een goede verstandhouding, maar beide partners dragen altijd een mes bij zich, of beter een dolkstoot, die ze in de andere partij kunnen planten, danwel bij een van de eigen collega’s kwijt moeten.

Allereerst de invalshoek van de nieuwsbron, het Tweede Kamerlid dat verantwoordelijk is voor buitenlands beleid. En laten we het dan gelijk over ontwikkelingssamenwerking hebben, want vaak heb je meerdere Kamerleden voor het ministerie (BZ, Europa apart). Het is niet een hele populaire portefeuille omdat je er niet echt mee kan scoren. Immers, de 0,8 procentsnorm is in Den Haag heiliger dan het Koninklijk Huis en wie daaraan gaat tornen, weet zeker dat er hel en verdoemenis komt.

Dat heb ik van dichtbij gezien, toen in 2003 het Kamerlid Ayaan Hirsi Ali voor één keer de portefeuille van Erica Terpstra overnam. We hebben toen voor haar, in samenspraak met allerlei specialisten, een zorgvuldig betoog opgesteld waarin ze OS zou bekritiseren – op een constructieve manier, dat wel. De VVD was geenszins uit op een massale confrontatie en een keihard, ongenuanceerd standpunt over OS.

Ayaan trok zich daar niet zoveel van aan en zette de boel op scherp door in een Kamerdebat stevig te stellen dat ‘OS mislukt is’, waarna toenmalig minister Van Ardenne het van onderuit de zak kreeg. Heel Den Haag stond op zijn stelten en de journalistiek daarom ook. Want dat is les één voor de mensen die hier werken: zonder conflict geen nieuws! Den Haag bestaat echt uit relletjes. Ik kan dat weten, omdat ik meerdere keren van de redactie van dagblad De Pers het commando kreeg om bij Rita Verdonk voor haar deur te gaan liggen. Maar dat is een ander verhaal.

Terug naar Hirsi Ali. Iedereen viel over haar heen, mensen uit de VVD ook. Toch had ze met deze uithaal de toon gezet en langzaam de weg vrijgemaakt voor een kritischere benadering van de besteding van het OS-geld. Tot die tijd werd alleen in hele beperkte academische kring getwijfeld aan de juistheid van het beleid van ontwikkelingssamenwerking. Toen, in 2003, was het statement van Ayaan echt een schok. En daarna ging ze vrolijk weer andere dingen doen en ging het woordvoerderschap, zoals afgesproken, naar het vrij onbekende Kamerlid Zsolt Szabo. En dat is les twee van de journalistiek: de nieuwsjagers vertrouwen nooit mensen uit de macht. Geen enkele journalist dacht dat Szabo dit dossier kreeg omdat-ie het wilde, maar omdat Ayaan een ongeleid projectiel was. De VVD loog gewoon keihard dat deze constructie van tevoren was afgesproken!

Daarom gelijk door naar les drie: Je moet als Kamerlid een vuist maken, een nieuw en opvallend geluid horen wil je de aandacht krijgen van de microfoons. Er zitten geloof ik nu elf partijen in de Kamer en dan is het moeilijk om gehoord te worden. Daarom is het devies: hoe gekker hoe beter. Zorg ervoor dat je altijd ‘onthutst’ bent, of ‘zwaar teleurgesteld in de minister’ of ‘direct opheldering wilt’. Het maakt niet uit waar het over gaat, als je maar in de media komt. Helaas, het gaat echt zo.

Dat leg ik u uit vanuit mijn tweede invalshoek, die van de nieuwsjager. Er lopen op het Binnenhof vele honderden journalisten rond voor een keur aan media. Toch is er voor iedereen meer dan genoeg nieuws, met veertien departementen en de elf partijen gebeurt echt genoeg. Soms zijn er wel vier Kamerdebatten tegelijk. En wat zie je? Hele kluwen journalisten hangen dag in dag uit om elkaar heen, om net die ene quote te krijgen van de politicus waar een relletje om is. En dat gebeurt aan de lopende band, ik heb dat als journalist ook zo ervaren.

Omdat ik BZ en OS in mijn pakket had, probeerde ik heel vaak relevante onderwerpen bij mijn redactie in de krant te krijgen. Er verscheen een mooi rapport over buitenlands beleid, een hoge Europese politicus kwam langs. Weet u wat het antwoord was vanuit Amsterdam, waar de hoofdredactie zit? ‘Allemaal propaganda!’ Daar ging de nuance. Les vier: ook journalisten kunnen niet scoren met diepgaand nieuws. Het is me wel eens gelukt om een groot verhaal over globalisering te schrijven en daar heb ik veel reacties op gekregen. Maar ik moest het in een dag schrijven, om daarna snel weer verder te gaan met de machtsstrijd binnen de VVD.

Het hoogtepunt van mijn journalistieke carrière heb ik bereikt toen ik in april 2008 stukken in handen kreeg vanuit de EU waarin stond dat Nederland grote delen van de Europese Grondwet wilde behouden. U weet het nog, de bevolking had die per referendum afgewezen en nu moest de regering weer met de EU onderhandelen over een nieuw verdrag. Volgens het document dat ik had wilde Balkenende echter niets aan de grootste besluiten uit de Grondwet veranderen, zoals alle institutionele afspraken. Ik heb dat in de krant gezet en vier dagen later stond Balkenende in de Kamer, waar hij door alle partijen over mijn artikel werd aangevallen. ‘Interpretatie van journalisten, waar leidt dat toe!’ riep hij uit. Ik voelde me niet aangesproken, wel was het een buitengewoon leerzaam moment: de invloed van de Tweede Kamer is erg beperkt. Dat is les vijf.

Natuurlijk is het zo dat veel woordvoerders van OS en Buitenlandse Zaken goed geïnformeerd zijn en ook een goed verhaal kunnen brengen over de problemen van de VN, het conflict in Oost-Congo of het uitblijven van democratie in Oekraine en Georgië. Maar voor wie? We gaan naar les zes. Journalisten hebben vrij weinig, tot geen belangstelling voor buitenlandse politiek. Het is een ver-van-hun-bed show, behalve als het om het eigen geld gaat van naieve Nederlandse burgers. Voor de rest is er bij heel veel redacties echt geen belangstelling voor de manier waarop Nederland in de wereld staat. De focus is toch altijd op het negatieve: Europa is nergens goed voor, we smijten ons geld weg in Afrika en in Uruzgan hebben we niks te zoeken. Ik heb dat als analytisch ingesteld journalist ook vaak moeten ervaren. Een van de weinige plekken waar ik wel die achtergrond kwijt kan, is in het blad Internationale Samenwerking¸ waarvoor ik een reportage in Gaza heb mogen maken. Maar ja, dat is dan ook gelijk weer een blad dat door de Nederlandse overheid wordt betaald.

Terug naar de actuele discussie over ontwikkelingssamenwerking. Daar zien we les zeven in de praktijk. Boekestijn van de VVD maakt na jaren eindelijk naam, omdat hij te hoop loopt tegen de vijf miljard euro die we aan OS uitgeven. De gehele gevestigde orde valt over hem heen, dus je zou kunnen verwachten dat hij met de staart tussen de benen vertrekt.

Dat doet hij niet, omdat Boekestijn een aantal machtige medestanders heeft. En dat is les zeven, de laatste les van mijn kant: de media hebben ontzettend veel macht, misschien wel meer nog dan alle Kamerleden bij elkaar. Want de Telegraaf is al geruime tijd bezig met een hetzecampagne tegen de ‘geldverslinde geldmachine’ die OS zou zijn, tegen ‘Dagobert’ Koenders en alle corrupte regimes die de zuur verdiende Nederlandse belastingcenten wegsluizen naar Zwitserse bankrekeningen. Elsevier doet hier vrolijk aan mee, net zoals HP/De Tijd.

Ook in kwaliteitsmedia verlaten journalisten de objectieve normen. Onlangs las ik in Trouw een nogal suggestieve tekst over OS. Een journalist had het in een bericht over de wijziging van het beleid van minister Koenders dat een waarschuwing is ‘aan soms vastgeroeste ambtelijke vergadertijgers, lui-gesubsidieerde particuliere hulporganisaties en ontwikkelingswerkers die ter plekke voornamelijk in fourwheeldrives rondrijden.’ In zo’n publiek klimaat heeft de Derde Kamer, u dus, nog heel wat werk aan de winkel om dilemma’s, oplossingen en nuances over nut en onnut van OS goed over het voetlicht te brengen. Niet alleen bij die echte Kamerleden, maar zeker ook bij de media. Ik wens u een leerzame middag toe.

Joop Hazenberg

Nieuwspoort, 12 november 2008

Go to Top