Patrick Chabal
Interview uit 2009 voor IS
Patrick Chabal
‘Er is een totale minachting voor de arme Afrikaan’
Onlangs publiceerde de invloedrijke onderzoeker Patrick Chabal zijn nieuwste boek Africa: the politics of suffering and smiling, waarin hij het perspectief van de kansloze klasses centraal stelt. Zal Chabal weer het westerse denken over Afrika op zijn kop zetten? ‘De cultuur van geweld, conflict en ziekte heeft de Afrikaanse staat ondermijnd.’
Tekst: Joop Hazenberg
Geruchtmakend was hij eind jaren negentig met Africa Works, het boek dat de problemen van Afrika van een hele andere kant bekeek. De instabiliteit van het continent zou vooral komen door de Afrikaanse (informele) politieke cultuur, waardoor het pad van modernisering allerminst vanzelfsprekend was. Sindsdien wordt het werk van Patrick Chabal, hoogleraar Afrikanistiek aan het King’s College in Londen, nauwlettend gevolgd door collega-wetenschappers, politici en beleidsmakers in de hulpwereld.
Eerder dit jaar verscheen zijn boek Africa: the politics of suffering and smiling, waarin Chabal wederom het westerse plaatje van Afrika op zijn kop zet. Letterlijk, want de schrijver benadert politieke processen in zijn nieuwste boek vanuit de strijd om leven en dood die honderden miljoenen Afrikanen elke dag weer moeten voeren.
De huidige politieke theorieën zien de gevolgen van die strijd volgens Chabal over het hoofd. Wat betekent het bijvoorbeeld als een Afrikaan buiten zijn groep valt en vervolgens niet langer als menselijk wordt beschouwd? Heeft de komst van democratie groepsdenken en raciale spanningen juist versterkt? Wat doet het continue geweld en misbruik met de arme Afrikaan en zijn sociale omgeving? Op deze vragen zoekt Chabal met behulp van antropologie en religieuze studies nieuwe antwoorden, in een boek dat ondanks zijn geringe dikte geen page-turner is.
Wat heeft u nog aan te vullen op uw standaardwerk Africa Works?
“Ik wilde kijken of het denken over Afrika de afgelopen jaren is veranderd. Bovendien gaat Africa Works vooral over de rol van de staat, niet over die van de burgers. En nog steeds spelen dezelfde problemen – en dezelfde antwoorden – de hoofdrol in het Afrikadebat. Daarom heb ik gekozen voor een bottom-up aanpak, waarin ik kijk naar het leven van de gewone man en vrouw in landelijke en stedelijke gebieden. Het zijn mensen die absoluut niets hebben en in verschrikkelijke omstandigheden leven, ze kunnen nauwelijks overleven.
Wat zeggen politieke theorieën over die mensen? Eigenlijk niets, of hooguit alleen wat het Westen wil horen. In The politics of suffering and smiling kijk ik naar het menselijk bestaan zoals zich dat in Afrika heeft ontwikkeld. Waarom zijn er patronage-systemen, hoe zijn die gebaseerd op lokale systemen en identiteiten, welke relatie hebben de burgers in die systemen? Vanuit het gezichtspunt van de mensen aan de onderkant zoek ik naar inzichten op deze vragen.”
Daar is toch al lang aandacht voor? Begrippen als ownership, participatie, voice and accountability zijn gemeengoed in de OS-wereld. Er is bij hulpprogramma’s veel aandacht voor de rol van het individu.
“Individuen in de westerse zin bestaan in Afrika niet. We moeten vooral naar het individu in het groepsproces kijken. Daarin delen mensen veel zaken en hebben ze een relatie die misschien niet gelijkwaardig, maar wel betekenisvol is. Voor cynici is dat reden te zeggen: Afrikanen hebben geen stem, zij fungeren als insecten in een gesloten systeem. Maar dat vind ik een te beperkte conclusie, waarbij wordt vergeten dat de groep als zodanig een politieke actor kan zijn. En al is de organisatie van de Afrikaanse samenleving niet goed voor ontwikkeling, er zit wel een zekere logica in.
Het dagelijkse gevecht om het leven te behouden heeft gevolgen voor het participatieniveau van arme Afrikanen in de samenleving. Zij hebben geen tijd voor ideeën of politieke discussies. Wat ze wel doen, is het volgen van geloven, netwerken, mensen die hen kunnen helpen. Het ene moment zijn ze onderdaan, dan weer cliënt of burger. Eigenlijk schreeuwen ze de hele dag om hulp.
Als deze mensen een beroep doen op een minister maken ze hem geen deel van hun zorgen. In plaats daarvan wijzen ze hem op familieleden die in hun provincie zijn begraven. Het appelleren aan de informele band die de minister en de armen hebben is effectiever dan het blokkeren van wegen. Deze informal accountability is veel belangrijker dan de westerse vormen van democratie.”
Dan zet u vast vraagtekens bij de promotie van Goed Bestuur, een van de speerpunten van het OS-beleid van de laatste jaren.
“Zoals het begrip momenteel is omschreven vind ik het inderdaad niet nuttig, er zitten te veel westerse componenten in verwerkt. Ik heb het liever over effectief bestuur, goed bestuur is te normatief. De rol van de staat kan niet ‘goed’ zijn. Voor een effectief bestuur heb je drie zaken nodig: een competente overheid, een duidelijke visie en een krachtig beleid dat is gericht op duurzame economische ontwikkeling.”
Zoals in Ethiopië dus? Een dictatuur waar armoede relatief goed wordt bestreden, de corruptie relatief beperkt is, maar waar de bevolking helemaal geen inspraak heeft.
“Ja, al ontbeert Ethiopië de lange termijnvisie en heeft het land ook geen sterk economisch beleid. Maar democratische westerse structuren zijn niet essentieel voor ontwikkeling. Die komen later wel, al kan dat generaties duren. In de tussentijd zijn effectieve autoritaire regimes het meest waarschijnlijke bestuursmodel in Afrika.”
Klinkt een beetje als het Aziatische model. Kunnen we de twee continenten dan toch met elkaar vergelijken, zijn de Aziatische tijgers een voorbeeld voor Afrika?
“De meeste overheden in Azië hebben de drie voorwaarden voor effectief bestuur in huis, hoewel ze meestal erg corrupt en niet democratisch zijn. Deze landen hebben een sterke visie op de toekomst en vertalen ze daadwerkelijk in concrete actie. Zo zijn de investeringen in infrastructuur en landbouw in Azië erg hoog, terwijl in Afrika de landbouwsector compleet wordt verwaarloosd.”
Wat gebeurt er dan wel in Afrika?
“De onderste groepen, de kanslozen, spelen hun rol als change agent niet. Waar in Azië de plattelandsbevolking gemobiliseerd kan worden, heeft de Afrikaanse elite juist een totale minachting voor die groep. Er is zelfs sprake van een hertraditionalisering van de Afrikaanse samenlevingen. De staat, die na de dekolonisatie in de jaren zestig zijn intrede deed, heeft geen ontwikkeling gebracht. Geweld, conflicten en ziektes hebben het vertrouwen van burgers in de staat ondermijnd en sociale structuren uiteengerukt. De reactie, hertraditionalisering, maakt ontwikkeling steeds moeilijker.”
Je kunt ook stellen dat er geen notie is van ‘publiek belang’ in Afrikaanse samenlevingen. De staat is een plek om leeg te roven.
“Waar het in Afrika om gaat zijn de mensen met wie een relatie kan worden aangegaan. Buiten die cirkel heerst een cultuur van geweld en conflict, waarin het moeilijk is een staat op te bouwen. Een ziekenhuis is niet zomaar een ziekenhuis. Het is altijd ook een symbool, onderwerp van een politieke strijd. Wat er voor de westerling uitziet als een mooi gebouw dat mensen gezond kan maken, heeft voor de Afrikaan niet automatisch die legitimiteit. ”
Kunnen donoren wel met de door u geschetste realiteit omgaan?
“Waarschijnlijk niet. Er is een morele plicht om te helpen maar geen politicus zal zeggen dat hulp zinloos is. Programma’s worden nog steeds vanuit het westerse gedachtegoed bepaald. En daarbij worden interne processen in Afrikaanse samenlevingen genegeerd, de eigen agenda is het belangrijkst.
Donoren moeten erkennen dat zij de grootste politieke actor in Afrika vormen, maar dat doen ze niet. Vooral de Nordics en Nederland, landen die vanuit een moreel standpunt OS bedrijven, ontkennen hun rol actief. De donoren zouden die politieke invloed moeten beperken. Hooguit kunnen zij aan de partnerlanden vragen open te zijn over de besteding van de gelden en moeilijke vragen te stellen wanneer nodig.”
In Nederland is er juist een flink debat over Ontwikkelingssamenwerking waarbij minister Koenders een actieve rol speelt.
“Ik vind die discussie in Nederland verfrissend, want de effectiviteit van de hulp wordt door alle partijen op tafel gelegd. Maar de vraag ‘gaan we ook de hulp verminderen?’ wordt niét gesteld. Dat onderwerp is nog steeds een heilig huisje, terwijl andere landen het verminderen van hulp als een optie beschouwen. Of zij zijn ten minste bereid de vorm van de hulp te heroverwegen.
U wilt geen direct beleidsadvies geven, maar toch vraag ik u: wat moet veranderen?
“Algemene begrotingssteun is een slecht idee om de Afrikaanse staat leefbaar te maken. Het houdt een systeem in stand dat niet duurzaam is. We kunnen alleen die staten steunen die succesvol zijn, niet degenen die falen. Misschien is het beter om het geld direct aan de onderkant van de piramide te geven, een gigantisch systeem van microkredieten. Maar dat zal de elite nooit toelaten omdat ze het geld dan niet kan controleren.”
Steun intrekken aan falende of zwakke staten, dat betekent een hoop ellende.
“Ik word door sommigen als een afropessimist beschouwd. Maar ik benoem de dingen zoals ze zijn. De helft van de staten in Afrika zal zonder steun in elkaar klappen. Dat is de ultieme consequentie. Maar we moeten niet vergeten dat Afrikanen altijd zichzelf in leven hebben kunnen houden. Juist het misbruik en het uiteindelijke falen van de staat heeft mensen kwetsbaar gemaakt.”